Het woord hepatitis komt van “hepar”, het Griekse woord voor lever. Het achtervoegsel “-itis” betekent ontsteking. Hepatitis is dus een ontsteking van de lever. Hepatitis kan onder andere ontstaan door virussen, bepaalde chemische stoffen, medicijnen of overmatig alcohol gebruik.
Het hepatitis B-virus komt voor in bloed, sperma, voorvocht en vaginaal vocht. Het virus wordt, vaak ongemerkt, overgedragen door onveilig seksueel contact, bloedcontact of bloedproducten. Het virus kan ook overgedragen worden van moeder op kind rond de bevalling. Een heel kleine hoeveelheid besmet bloed in een wondje is al voldoende om een infectie te veroorzaken. Een intacte huid geeft echter een goede bescherming tegen overdracht van het virus. Soms is het niet precies duidelijk hoe en wanneer iemand besmet is geraakt met het hepatitis B-virus. Het kan dan zijn dat iemand is besmet door hele gewone dingen, zoals het gemeenschappelijk gebruik van tandenborstels, scheermesjes of scheerapparaten. Aan deze gebruiksvoorwerpen kan een restje (opgedroogd) bloed zitten, waarin het virus voorkomt. Het virus kan, bij gezamenlijk gebruik van deze voorwerpen, via een klein wondje in het lichaam komen. Het virus kan niet worden overgebracht door normaal sociaal contact, zoals handen geven en knuffelen. Overdracht door tongzoenen vindt alleen plaats als daar bloed bij te pas komt. Verder kan besmetting plaats vinden door het gebruik van niet-steriele naalden, door spuitende druggebruikers en bij piercing, tatoeëring en acupunctuur. < terug
Een hepatitis B besmetting kan worden voorkómen door bloedcontact met anderen te vermijden en door veilig te vrijen (met condoom). Daarnaast bestaat er een goed en veilig vaccin om besmetting te voorkómen. < terug
Hepatitis B kan worden opgespoord door middel van bloedonderzoek. Deze bloedtest kan 4 tot 6 weken na de mogelijke besmetting worden uitgevoerd. < terug
Als u drager bent van het hepatitis B virus, zult u meestal niets merken. Het gaat vaak om algemene en vage klachten die niet kenmerkend zijn voor hepatitis B. Mogelijke klachten zijn langdurige of plotseling opkomende vermoeidheid, spier- en gewrichtspijnen, misselijkheid, een gele huid en ogen, en verminderde eetlust. Alleen met een bloedtest kan goed vastgesteld worden of iemand hepatitis B heeft. < terug
Tegen hepatitis B bestaat een goed en veilig vaccin. Het vaccin beschermt nagenoeg iedereen tegen besmetting met het hepatitis B-virus. Het vaccin is veilig voor kinderen en volwassenen en kan indien noodzakelijk ook tijdens de zwangerschap worden toegediend. In het laatste geval kunt u het beste overleggen met uw arts of de GGD. Een volledige vaccinatie bestaat uit 3 injecties, die verspreid over een half jaar gegeven worden. Vier tot acht weken na de laatste vaccinatie moet u uw bloed laten onderzoeken. Het laboratorium gaat dan na of het lichaam genoeg antistoffen tegen het virus heeft aangemaakt. De hoeveelheid van de antistoffen heet ‘anti-HBs titer’. Deze titer moet in Nederland hoger dan 10 internationale eenheden per liter (10 IE/L) zijn. Er is dan voldoende bescherming tegen het virus. Deze bescherming is vermoedelijk levenslang. Revaccinatie is in ieder geval de eerste 20 jaar niet nodig. Ook niet als u tussentijds met het virus in contact komt, bijvoorbeeld door onveilige seks of een bloedcontact. Het is belangrijk om de anti-HBs titer te meten. Alleen zo kan vastgesteld worden of de vaccinatie succesvol is geweest (95% van de mensen reageert goed op vaccinatie). < terug
Een volledige vaccinatie bestaat uit 3 injecties, die verspreid over een half jaar gegeven worden. Vier tot acht weken na de laatste vaccinatie moet u uw bloed laten onderzoeken. Het laboratorium gaat dan na of het lichaam genoeg antistoffen tegen het virus heeft aangemaakt. De hoeveelheid van de antistoffen heet ‘anti-HBs titer’. Deze titer moet in Nederland hoger dan 10 internationale eenheden per liter (10 IE/L) zijn. Er is dan voldoende bescherming tegen het virus. Deze bescherming is vermoedelijk levenslang. Revaccinatie is in ieder geval de eerste 20 jaar niet nodig. Ook niet als u tussentijds met het virus in contact komt, bijvoorbeeld door onveilige seks of een bloedcontact. Het is belangrijk om de anti-HBs titer te meten. Alleen zo kan vastgesteld worden of de vaccinatie succesvol is geweest (95% van de mensen reageert goed op vaccinatie). < terug
Bij een klein aantal mensen dat besmet is geraakt met het hepatitis B-virus, wordt het virus niet opgeruimd uit het lichaam. Er is dan sprake van een chronische hepatitis. U blijft dus besmettelijk. In het bloed blijft HBsAg en meestal ook HBeAg aantoonbaar (zie woordenlijst). Bij chronische hepatitis B hoeft u helemaal geen klachten te hebben. Mogelijke klachten zijn algemene moeheidsklachten of plotseling opkomende vermoeidheid en spier- en gewrichtspijnen. Bij chronische hepatitis B veroorzaakt het hepatitis B-virus een langdurige (chronische) ontsteking in de lever. < terug
Het virus verdwijnt bij 9 van de 10 mensen meestal binnen een half jaar. Als de arts met behulp van een bloedonderzoek heeft vastgesteld dat het virus is verdwenen en er antistoffen zijn aangemaakt, bent u genezen. Een klein deel van de mensen behoudt echter het virus. Er ontstaat dan een a-symptomatisch dragerschap of een chronische actieve hepatitis B infectie en in beide gevallen blijft de besmettelijkheid bestaan. Ook om dit te weten te komen, moet de arts bloedonderzoek doen. Bij een a-symptomatische drager is er geen of zeer weinig ziekte-activitiet in het bloed te meten. Toch is het virus nog stééds in het lichaam aanwezig en de besmettelijkheid blijft. Regelmatige controle blijft noodzakelijk, omdat in uitzonderlijke gevallen het virus weer in activiteit kan toenemen. Daarnaast is er ook een kleine kans (1%/jaar) dat uw lichaam het virus alsnog spontaan opruimt. < terug
Soms lijkt het virus na jaren spontaan door het afweersysteem opgeruimd te worden. Dit gebeurt zelden. Het verdwijnen van het virus wordt soms vooraf gegaan door een tijdelijke stijging van de leverenzymen (transaminasen). < terug
Conform de Infectieziektewet moet elke nieuwe hepatitis B infectie bij de GGD gemeld worden. Om verdere verspreiding te voorkomen, zal de plaatselijke GGD uitzoeken waar de ziekte vandaan komt of wie er nog meer risico hebben gelopen op besmetting. Dit is de zogenaamde ‘bron en contactopsporing’. < terug